2005
‘Er stond een moeder met een baby voor mijn
zwembadkassa, voor het babyzwemmen. Ineens kon ik me
niet meer bewegen.’ Elf jaar, bergen therapie, een
plastisch-chirurgische operatie en twee bestralingen
later, heeft Ella Drabbels (44) leren leven met de
gevolgen van haar tweede hersenbloeding. De eerste, toen
ze zeventien was, had alleen tot gevolg gehad dat ze het
wedstrijdzwemmen moest staken. Na de tweede raakte haar
gezicht half verlamd, ze werd doof aan een oor en ging
moeilijk lopen. De kleinste dingen kosten nu massa’s
energie. Ze kan opvliegend zijn en heeft
concentratieproblemen. ‘Maar ik denk normaal,’ bezweert
ze, ‘alleen mijn lichaam doet niet wat mijn hoofd wil.’
‘Zij is de beste therapie’, zegt ze met een knikje naar
haar twaalfjarige dochter Auke, die als een veulen door
de tuin draaft. ‘Die hersenbloeding had mijn mijn
zelfvertrouwen aangetast. Maar ik bracht haar altijd
naar het peuterklasje, ik was tenslotte haar moeder.
Haar dwarsigheid van tegenwoordig houdt me actief. Ik
ben een vechter, ontzettend eigenwijs. Toen Auke wilde
dat ik met haar ging fietsen, heb ik het geprobeerd.
Toen wist ik in ieder geval zeker dat het niet ging.’
Ella moet vaak keuzes maken. ‘Thuiszorg was een keuze,
om mijn man Piet te ontlasten en het gezin draaiende te
houden. Naar het activiteitencentrum gaan, voor sociale
contacten en om niet lui te worden. Ik moet mijn energie
verdelen. Zo begin ik niet aan de computer, ik kies
liever voor lichamelijk bezig zijn. Het is een
leerproces. Vroeger wilde ik alles, nu ben ik tevreden
als mijn gezin goed draait.’ Waar ze zich niet bij
neerlegt is het verdwijnen van de taxivergoeding. ‘Ik
kan nu maar eens per week naar therapie, en dat alleen
omdat ik met iemand kan meerijden. Maar het is niet fijn
afhankelijk van anderen te zijn.’
2009
Ella rijdt tegenwoordig steeds vaker zelf, op de
scooter. ‘Qua geheugen en concentratie kan ik steeds
meer,’ zegt ze. ‘Daardoor kan ik beter kiezen tussen wat
wel en niet belangrijk is. Het is een langzaam
herstelproces. Mijn man zegt dat hij zo wel 100 met me
wil worden.’ Ze gaat naar fitness en therapie, naar het
activiteitencentrum en de zorgboerderij. ‘Ik heb in mijn
oren geknoopt wat een dokter zei: niets doen is
stilstaan. Bovendien is de aard van het beestje niet
veranderd: actief zijn tussen de mensen doet me goed.’
Een psycholoog schreef anti-depressiva en afleiding voor
tegen de sombere en boze buien. ‘Dat helpt. En het is
belangrijk dat ik en lieve dochter en een lieve
man heb. We houden van elkaar, daar doe je het voor.
Mijn man zit nu in een werkgroep voor jong getroffenen
van de CVA-vereniging. Wij kregen hulp toen we die nodig
hadden, nu kunnen we anderen hulp geven.’ |
|
 |
|
|