2005
Echt, ze zijn allemaal hartstikke lief in het
verpleeghuis, maar Nel Engels wil er weg. Terug naar
Amsterdam, waar ze thuis is en de weg kent. Ze belandde
in het verpleeghuis door een val in haar slaapkamer,
waarbij ze haar been brak. ‘Nu lig ik tussen de oude
mensen, ik word er zenuwachtig van. Je kunt hier ook
niet zwemmen. Ik zwem al vanaf mijn vijfde. Warm water
is goed voor mijn spieren, maar hier kan ik alleen maar
de sloot in, tussen het kroos gaan liggen!’ Dan barst ze
in lachen uit. Haar wapen tegen chagrijn en narigheid.
Door de ziekte van Little, veroorzaakt door een kleine
hersenbeschadiging bij de geboorte, werd Nel Engels (77)
spastisch, en werd ze niet groter dan 1.48 meter. ‘Mijn
vader kon mijn handicap niet verdragen. Ik loop als een
wigwam, ik zwaai van de ene kant naar de andere. Als ik
dan in de tuin liep en in de plantjes viel, kreeg ik met
de mattenklopper. Ik ben met de knoet grootgebracht.’
Sinds haar vijfde heeft ze een rolstoel. ‘In totaal ben
ik acht keer geopereerd. Maar ik kan goed tegen pijn. Ik
blijf altijd lachen. Als ik een chagrijnig persoon
tegenkom ben ik zo vertrokken. Dat kan hier helaas
niet!’ Ze was getrouwd, kreeg twee zonen, heeft altijd
gewerkt. Met thuiszorg slaagde ze erin levenslang
zelfstandig te wonen. ‘Zo wilde ik dat, eigen baas zijn.
Ik ben altijd in mijn rolstoel overal heen gegaan. De
schouwburg, operettes, waar ik maar kan lachen. Iedereen
kan met mij opschieten, ik ben zo makkelijk als een pet
van een kwartje. Als de ergotherapeute klaar met me is,
mag ik hier weg. Ik zal blij zijn als ik weer in mijn
eigen rolstoel de straat op kan. Vriendinnen opzoeken.
Ze belden al: waar blijf je nou?’
2009
‘Ik trap iedere dag op een stilstaande fiets. Standje
drie, maar ja, weg kom je d’r niet mee!’ Daar klinkt
weer die lach, tegen de verpleeghuisklippen op. Nel
Engels droomt nog steeds van Amsterdam, en van zwemmen.
Onlangs heeft ze een zwempak gekocht. ‘Heel modern. Ik
kon namelijk mee op een reis naar Lourdes, en daar zou
een zwembad zijn. Maar het was eigenlijk meer met zijn
allen in bad, niet echt fris. ‘Gooi maar een emmer water
over mijn hoofd,’ heb ik gezegd, en dat hebben ze
gedaan.’ Het was een belevenis, zegt ze. ‘De pastoor
duwde me helemaal de berg op, naar het kruis toe, en bij
de optocht vloog het kapje van mijn kaars in brand. Alle
nationaliteiten waren er samen, maar geen een is er
genezen. Ik geloof er niet in, ben je gek! Ik heb acht
stappen zonder stok gelopen, toen was het afgelopen.
Maar ik ga nog wel een keer mee.’ |
|
 |
|
|