2006
‘Ze hebben er het etiket dwarslaesie op geplakt, maar
het blijft onduidelijk wat het is,’ zegt Juliëtte Ebben.
Dertien jaar geleden leken twee ijzeren klemmen haar rug
in een houdgreep te nemen. Zomaar. Twee uur later trok
een bliksemschicht door haar benen, die er vervolgens de
brui aan gaven. Sindsdien loopt ze niet meer. ‘Diabetes
kreeg ik erbij cadeau. Ik was vroeger broodmager, kon
eten als een bootwerker. Niemand vertelde me dat ik
minder moest gaan eten. Ik zou veel moeten bewegen, maar
omdat mijn benen spastisch zijn kan ik niet in een
sportieve rolstoel zitten. Geschikt bewegingsprogramma’s
zijn dun gezaaid. ‘Mevrouw, we gaan zoeken’, zeggen ze,
maar ze bellen nooit terug.’ De woonkamer van Juliëttes
huis, hartje ’s-Hertogenbosch, maakt net als zijzelf een
levenslustige indruk. ‘Iedereen krijgt iets, dit is mij
toebedeeld, ik moet er iets van maken. Toen ik nog
werkte bij een zorgverzekeraar vond ik dat er teveel
gezanikt werd in gehandicaptenland, en dat vind ik nog.
Natuurlijk zijn er kwade dagen, als je merkt wat je niet
meer kunt. Verre reizen maken, bijvoorbeeld. Maar mijn
leven is niet veel slechter geworden. Met thuiszorg en
aanpassingen woon ik nog in mijn eigen huis. Ik heb een
vaste plaats in het theater, een elektrische rolstoel en
een scootmobiel. Ik ben assertiever - waar de thuiszorg
moeite mee heeft - en heb beter contact met mensen dan
vroeger. Ik reis veel met de trein, vaak voor het
vrijwilligerswerk.’ Ze is bestuurslid van de Algemene
Nederlandse Gehandicapten Organisatie, van het
Gehandicaptenplatform ’s-Hertogenbosch en van de
bewonersvereniging Leefbare Binnenstad. ‘Ik ben een
praktisch mens, wil resultaten zien. Soms lukt het
ergens betere toegankelijkheid of goede bestrating te
realiseren.’ Ze is van plan nog lang mee te gaan. ‘Ik
ben nooit ziek. Ik zeg tegen de thuiszorg dat ze aardig
tegen me moeten zijn omdat ze nog lang met me van doen
hebben. Ik word vijfennegentig.’
2009
‘Ik heb nog steeds te veel rommel, en alles wordt ouder
en stijver. Maar het gaat redelijk. Ik ben de afgelopen
jaren met de TGV naar de Rivièra geweest en met de bus
naar Berlijn. Geweldige stad, ik heb hem in mijn
bolderkar uitgebreid verkend.’ Een poging naar Spanje te
vliegen mislukte: ‘Op Europese vluchten blijken
rolstoelen hoger dan 86 centimeter het laadruim niet in
te kunnen. Probeer ik te doen of er niets aan de hand
is, word je door de techniek teruggefloten!’ Ze trekt
nog steeds vrolijk ten strijde tegen allerlei stenen des
aanstoots: de bestrating van de Grote Markt waarvan je
tanden uit je mond rammelen, een uitblijvende
blindengeleidelijn op het NS-station, de dreigende
inlijving van het Bossche gehandicaptenplatform door een
landelijke organisatie. ‘Het is niet goed als gedreven
vrijwilligers plaatsmaken voor vergadertijgers zonder
ervaringsdeskundigheid.’ En? ‘Wij zijn nog steeds
gesprekspartner voor de gemeente. Er blijft nog teveel
over om voor te vechten.’ |
|
 |
|
|